"...en toen zag ik de zeebodem in de wolken weerspiegeld"

<<

Informatieblad:

Petra van der Schoot
Philip Peters
Piet-Jan van Rossum




‘...en toen zag ik de zeebodem in de wolken weerspiegeld.’


De titel van deze tentoonstelling is ontstaan naar aanleiding van een droom:

Ik fiets door een stad. Aan weerszijden donkere silhouetten van gebouwen. Het miezerige weer kleurt de stad grijs en armetierig. Ik sla rechts af en zie dat deze straat heuvelafwaarts in zee uitmondt. Ik leg mijn fiets midden op straat en loop over het asfalt het water in. Het water is koud noch warm. Er is nauwelijks sprake van een branding...het zeewater is helder en het wateroppervlak deint zachtjes op en neer. Ik loop verder de zee in en laat de donkere silhouetten achter me. Het water is zo helder dat ik de uitgestrekte zeebodem als een kale, zanderige vlakte voor me zie liggen. Ik tuur in de verte, mijn blik dwaalt omhoog en zo zie ik diezelfde immens kale vlakte in de wolken weerspiegeld.

De zeebodem is nu mijn plafond.

De droom vind ik fascinerend vanwege z’n omkering, want "Nee" hoor ik onmiddellijk een stem roepen: "Een vrouw als jij moet wolken in het wateroppervlak weerspiegeld zien. Schone witte wolken. Aan een helderblauwe hemel. Kijk maar ..hoe ze door het kabbelende wateroppervlak elastisch worden vervormd. Zo hoort het! Dat is gezond! Kijk omhoog en voel de enorme vreugde en vitaliteit in je stromen. Kijk! Omhoog! Omhoog!, Omhoog!"

Het opkijken naar de hemel en zo de aarde achter je laten, het streven omhoog te gaan, op te stijgen naar het ideaal vrij te zijn...allemaal archetypische uitingen van een positieve goddelijke ambitie tegenover het ‘in de modder belanden, aan de grond zitten..etc., waar sinds de middeleeuwen alle narigheid zich ophoudt. En zolang die prachtige hemel zich in het wateroppervlak blijft weerspiegelen is er geen modder, geen grond, geen bodem, voelen we ons almachtig en blijft alle narigheid netjes voor het oog verborgen.

En daar gaan we dan. Met z’n allen streven we omhoog.

Inmiddels zie ik in de wolken weerspiegeld hoe hoog wij zijn opgestegen. Zo hoog in ieder geval, dat onze wortels vrij in de lucht zijn komen te bungelen. Die wortels piekeren al lang niet meer over waar zij nog zouden moeten aarden. Waarom zouden ze. Dus bungelen zij verveeld maar wat rond. Voor zover zij ooit met hun worteltoppen aan de grond richting konden aflezen zijn zij nu zo goed als blind. Ze tasten in het rond maar voelen niets. We trekken ze verder omhoog, uit het duister naar het luchtledige.
En dan maar wat vrij rondzweven.
Ze deinen ritmisch om ons lichaam. Soms raken ze even onze onderarm of kriebelen met hun toppen onze kruin. Dan bukken we geschrokken vanuit de hoogte voorover, grijpen de wateren, houden die als spiegel voor en roepen verrast:

“Kijk nu toch eens; Wat een prachtige hoofdtooi!”

In een van zijn dagboeken schreef Kafka dat hij zonder de ander niet in staat was om te zien. Hij had de blik/de ogen van de ander nodig om naar de wereld te kunnen kijken.
Zo zie ik een Kafka voor me die door een positief ingestelde, behulpzame ander wordt opgetild om net over het kozijn door het raam naar buiten te kunnen kijken.
En daar hangt hij dan voor het raam: -een volwassen man, wat ongemakkelijk bekneld-, vervormd en kwetsbaar- in de armen van een ander.
Daarbuiten ligt de wereld als een solide grootheid, maar zijn voeten bungelen een halve meter boven de grond.
O, Kon hij zijn voeten maar vergeten.
(...)

Waarom Kafka in tegenstelling tot de anderen niet bij het venster kan, is hem niet duidelijk. Voor die anderen is dat zo te zien in ieder geval geen enkel probleem. Zij kunnen er zo bij.
Toch zijn zij in wezen niet veel groter als hij. Aan zijn lengte, denkt Kafka, kan het niet liggen.....
Misschien heeft het met de een of andere zinsbegoocheling te maken waar alleen hij last van heeft. Misschien heeft het met lenigheid te maken. Wie weet hebben zij inderdaad een flexibele ruggegraat, of trekken zij zich ogenschijnlijk moeiteloos, eigenhandig, aan de haren omhoog.
Wie weet....

Kafka hangt opgetild voor het raam. Echt naar buiten kijken lukt hem niet, want hij voelt steeds de greep van die ander om zijn lichaam.
O, kon hij die ander maar vergeten.
(..)

Hij voelt de vreemde arm om zijn middel. De arm drukt in het middenrif en maakt zijn ademen zwaar. Hij krijgt het benauwd. Hij voelt de warmte van de ander door zijn kleren. Zijn hart gaat te keer. Zijn voeten komen los van de grond. Hij gaat omhoog, langzaam nog hoger. Hij hangt los van de grond, zijn enige kontakt met de grond is nu via het lichaam van die ander. Hij grijpt die ander vast. Hoe stabiel is hij?! Zijn adem stokt. Het gezicht van de ander komt dichterbij. Hij voelt adem tegen zijn wang. Hij voelt zijn stem door zijn lichaam vibreren.. Het zweet breekt hem uit. Hij wordt nog hoger opgetild. Dan ziet hij het vensterglas. Hij ziet vuiligheid op het glas. Dan de ogen van de ander weerspiegeld. De ander kijkt voorbij de vuiligheid door het raam naar buiten. Hij volgt de blik van de ander. Hij ziet de ander in het glas, de wereld door zijn ogen. Zijn ledematen worden steeds zwaarder. Zijn benen tintelen. Hij duizelt van de hoogte. Hij raakt in paniek. Hij wil naar beneden. Maar de ander hoort hem niet. De ander is hem totaal vergeten.

Zo zag ik in Kafka het voorbeeld van een man wiens blik altijd naar beneden is gericht. Waar hij ook kijkt, hij ziet altijd en overal de zeebodem in de wolken weerspiegeld. Hij kijkt naar beneden, niet vanuit schaamte, of om altijd maar aan de grond te zitten, maar door verwondering, beknelling, hoogtevrees en vanuit een gevoel voor natuurlijke/vanzelfsprekende balans. Al deze gevoelens zijn plaatsvervangend, want steeds wanneer hij die ander omhoog ziet kijken en hij zijn blik tot grote hoogte volgt, voelt hij zijn eigen voeten bungelen en vervolgens de onzekerheid in zijn lichaam stromen. Dan vraagt hij zich af; “Hoe kan het, dat die ander, die niet veel groter is dan ik, op grote hoogte zo zelfverzekerd blijft. Hoe kan dat ?
Een ander op die hoogte zou toch ook verwondering en beknelling moeten voelen, of op z’n minst bevreesd moeten zijn! Dat hij niets van dat alles voelt of laat blijken, is eigenlijk nog veel angstaanjagender”. En zo redeneert deze Kafka;”Hoe massaler men opkijkt, hoe massaler men omhoog streeft, des te hardnekkiger en bevreesder, gaat mijn blik naar de grond!”


Petra van der Schoot

<<return

------------------------------------------------------------------------------------------------




Een imploderende vulkaan


…opgetild worden, neergezet; onder boven zien en andersom...

to see a world in a grain of sand

Het is allemaal een kwestie van interpretatie, van hoe we naar iets (willen) kijken.

De manier waarop we de wereld beleven of althans erover communiceren is gebaseerd op afspraken van allerlei soort en aard.
Soms houden we ons niet aan die afspraken of misschien kloppen ze ook niet altijd voor iedereen en dan ontstaat bijvoorbeeld een verschil tussen wat we weten en wat we zien.

Wat we weten is de collectieve canonieke afspraak, wat we zien – of anderszins ervaren - is een afwijkende interpretatie.
Er zijn ongetwijfeld allerlei soorten afwijkende interpretaties en een interpretatie komt ook niet altijd rationeel of zelfs maar bewust tot stand.
Je moet hierbij erg op je woorden letten want niets is zeker en zelfs dat niet en eigenlijk houden woorden daar niet van, die willen graag kloppen maar dat doen ze niet altijd.

Ikzelf heb wel eens hoogtevrees gehad in Madurodam en ook toen ik in een auto naar het noorden reed, dat is immers omhoog op de kaart.
Soms gaat de vloer, die waterpas is, onder mijn voeten te keer als een stampend schip in volle zee.
Ik weet ook wel dat dat niet zo is, maar het is natuurlijk wel zo, ik kan moeilijk doen alsof het echt niet zo is, ook al hebben we dat honderd keer afgesproken.

Lang geleden werkte ik ergens aan de Bezuidenhoutseweg. Daar kwam wel eens iemand langs die prachtig paranoïde schizofreen was: scherpschutters zaten hem achterna en het leger was naar hem op zoek. Na een kopje thee ging het wel weer even. Op een dag kwam hij weer, erg geagiteerd: er reden tanks over de Bezuidenhoutseweg. We keken voor de vorm naar buiten en daar reden inderdaad tanks. Het was in de jaren zeventig, Zuid-Molukkers hadden de Indonesische ambassade in Wassenaar bezet en daar gingen ze naartoe.
Het was een onwaarschijnlijk en glorieus moment, een ongeloofwaardige, historische stand van de sterren, van de kaarten of de duizendbladstelen, waarop ‘de’ werkelijkheid (de afspraak) samenviel met ‘een’ werkelijkheid (een interpretatie) terwijl ze alleen hun verschijningsvorm gemeen hadden.

Je kunt ook zeggen dat op dat moment de fantasie de werkelijkheid naar haar hand had gezet. Van daaruit gezien was er eigenlijk niets ongewoons. Mijn vriend had ons eindelijk overtuigd.

Soms kijk ik naar mijn hand en begrijp niet dat die bij mij hoort. Ik kan hem bewegen, of liever gezegd, hij beweegt – conform de afspraak – maar ik kan het verband niet volgen: is dat mijn hand? Hij gedraagt zich wel zo, maar mijn ongeloof laat zich al lezen in de formulering. Is dat zoiets als met Kafka het geval was? Maar die ander, dat ben ik toch ook zelf? Of niet soms?

En al die echte anderen, waarvan we afgesproken hebben dat ze daadwerkelijk anderen zijn? Ze lijken meer op mij dan ze van me verschillen, zou je zeggen. Maar ze spelen in een andere film. Of: zij zitten in een samenhangend verhaal waar ik naar kijk maar geen deel aan heb hoewel ik goed kan doen alsof – want afspraken kun je leren hanteren zodat het net lijkt of je je eraan houdt. Optillen zullen ze me niet, want eigenlijk besta ik niet, mijn hand is niet eens van mij.

Ik kijk dus niet naar boven of naar beneden – en zeker niet als ik hoogtevrees heb - ik kijk naar mij (als die dat is) en mijn schizofrene vriend keek in de alledaagse werkelijkheid naar zijn eigen creatie en was niet verbaasd.

Zo kun je alles internaliseren en externaliseren. En iedereen heeft een verhaal, al denk ik niet dat iedereen dat weet. Ik zou wel eens in al die koppen willen kijken, ze bestaan uit kamertjes en gangen, kelders en zolders, allemaal verschillend ingericht, allemaal met ander uitzicht – over inzicht heb ik het nog niet.

Maar iemand die zichzelf optilt of neerdrukt – of wat dan ook – om naar het uitzicht te kijken, omdat hij méér wil zien, verschaft zichzelf daarmee de mogelijkheid tot inzicht, wat dat dan ook wezen mag; tot reflectie, op zijn minst. Tenzij hij van het uitzicht wil genieten; dat mag ook, maar dan blijft hij een toerist in de wereld van de afspraken.

Wie vanuit zijn eigen kamertjes op een speciale, onbekende manier naar buiten én naar binnen kijkt ziet soms verbanden. We zien natuurlijk allemaal verbanden, maar dat zijn afspraken. Ik bedoel nu ongekende, soms misschien krankzinnige verbanden tussen alles en al het andere – en dat zijn interpretaties of kunnen interpretaties worden als ze worden uitgesproken of verbeeld of anderszins kenbaar gemaakt, kortom: als er vorm aan wordt gegeven.

Iemand die dat altijd doet of er in ieder geval vaak mee bezig is, zou wel eens een kunstenaar kunnen zijn, iemand die met een scheve blik naar de dingen kijkt en daardoor verbanden ziet die er volgens de afspraken (nog?) niet zijn. Dat is iemand die iets uit niets kan maken, die kan ordenen langs niet afgesproken lijnen.

Don Juan kon Castaneda met één klap tussen de schouderbladen in een andere wereld doen belanden, waar niets op de ‘echte’ leek, waar geen bekende wet nog geldig was (geen afspraak), waar de losse schroeven niet zomaar konden worden aangedraaid, waar verbazing en intuïtie zich een weg moesten banen en misschien terugkwamen met een verhaal dat kon worden opgeschreven zodat een nieuwe samenhang ontstond en een nieuwe wisselwerking tussen twee werelden – tussen afspraken en interpretaties. Deze reizen in ‘een andere werkelijkheid’ waren bepaald niet zonder risico. Wie echt wil reizen raakt uit zijn centrum en daar loert gevaar.

Een panorama is een allesomvattend beeld waarvan het begin ook weer het eind is – 360 graden verder (of juist terug, of waar we toch al waren, die begrippen verliezen hun betekenis). Je kunt het lezen, maar verschillende kanten op – er zijn verschillende verhalen mogelijk.

Dit panorama van Petra van der Schoot is een geïnternaliseerd panorama (een interpretatie), zoals Panorama Mesdag geëxternaliseerd is – volgens de afspraken die in de laat-negentiende eeuw bestonden over schilderkunstige panorama’s, alles klopt. Panorama Mesdag trekt toeristen omdat het net echt is, het is er oh en ah en iedereen is blij verrast en gaat tevreden weg. Ik houd erg van Panorama Mesdag. Het richt zich naar boven, naar licht en lucht, het licht is zelfs letterlijk echt, van buitenaf naar binnen vallend en fraai door het doek gefilterd.

Het huidige panorama gaat niet over licht. Ik weet niet zeker of het over duisternis gaat – niet alles is te vangen in polaire begrippen, nu niet meer – maar zoals je naar Panorama Mesdag opstijgt, letterlijk, met een trappetje waarna het panorama zelf dan ook omhoog streeft, zo moet je hier naar beneden – ook letterlijk aangegeven door een trap. En we gaan niet zomaar een stukje lager maar een heel eind, naar de doodsrivier de Lethe, een wereld ouder dan de wereld, waar andere verbanden liggen te sluimeren die met afspraken weinig meer te maken hebben maar tot nieuwe interpretaties moeten leiden om er te kunnen overleven en erover te vertellen. Het afdalen in deze werkelijkheid is hier niet zonder risico: zou ‘dit’nog wel ‘mijn hand’ zijn, zou ik hier met beide benen op de grond kunnen staan? Een reis in dit panorama is een klap tussen je schouderbladen.

De kunstenaar is afgedaald naar een schimmige wereld, een wereld onder en achter de afspraken, waar niets is wat het lijkt, waar nieuwe betekenis moet worden verleend aan verbijsterende en misschien beangstigende, onzegbare verschijnselen – daar, aan de basis van alles, waar leven en dood (nog) niet gescheiden zijn, waar feiten (nog) geen feiten zijn, waar aan kolkende lava vorm gegeven wordt in interpretaties als gestolde verinnerlijkte beelden van velerlei aard, niet altijd direct benoembaar want ten dele onbewust.

Daar is, vind ik, moed voor nodig.

En de bezoeker – de goede verstaander althans – is hier geen toerist maar (mede)reiziger, niet op weg naar zonbelicht plezier maar naar kunst-belichte confrontatie met....ja met wat?....ik wil toch zeggen: met zichzelf omdat ook voor de kunstenaar en haar publiek geldt dat we minder van elkaar verschillen dan op elkaar lijken: daardoor kunnen we haar, althans gedeeltelijk, herkennen en verstaan.

Dit panorama is een panorama van onderaardse mogelijkheden, die later in de bovenwereld voortbestaan en zich ermee vermengen. Er rijden wel degelijk tanks op de Bezuidenhoutseweg.

Tegelijkertijd blijft het ook in zichzelf besloten, de lava stroomt er alleen binnen, erbuiten zie je niets: uiterlijk en innerlijk mogen elkaar dan soms weerspiegelen, het innerlijk brengt zichzelf niet in betekenis tot uitdrukking wanneer daar niet hard aan wordt gewerkt. Het beeld komt niet zomaar naar buiten, in het onderaardse innerlijk wordt het gevormd. Van buitenaf is het gewoon een cirkel, 360 graden, rond, stil en ongevaarlijk.

Van binnen is het andere koek.

Dit panorama is een imploderende vulkaan.


Philip Peters

<<<<return

------------------------------------------------------------------------------------------------



De Muziek:


Voor de tentoonstelling "..en toen zag ik de zeebodem in de wolken
weerspiegeld" ben ik op zoek gegaan naar een terloopse muziek.
Een muziek die zich gedraagt als kijker,die zich niet bezighoudt

met andere kijkers, maar louter met zichzelf.
Een muziek die niet bezig is de kijker tot luisteren te dwingen, die de
kijker niet stuurt om op zijn manier naar de installatie te kijken.
Een muziek die in zichzelf bezig is met processen, gegenereerd door wat zij
ziet. Een muziek die gewoon doorgaat als de tentoonstelling sluit.
Ook 's-nachts.
Ik werk nog aan deze muziek, het wordt een werk van 24 uur.
Voor mij is het een uitdaging een vorm uit te werken die zich over 24 uur
uitstrekt; grote vormen vragen om een totaal verschillende
materiaalbehandeling dan de standaard-15 minuten.
Hier ontstaat een muziek die staart, soms schrikt, afwezig lijkt, de stem
verheft, stil in een hoekje staat, wacht, vooral veel wacht. In zichzelf
zoekt naar balans, vooralsnog alleen leegte en chaos aantreft, en vervolgens
ruimte creeert om die chaos weer te ordenen.

materiaal: 3 historische opnamen (piano), 4 opnamen met verschillende microfoons op verschillende pianos (varierend van concertvleugel tot ontstemde barpiano) en 1 in Japan gemaakte opname van een
langsvliegende kraai.

Piet-Jan Van Rossum

<<